extra

Eerste verhaal

Na zijn tweede opname in de instelling hadden we niet verwacht de boekwinkel weer te zien openen. Maar al een maand na de veldslag tegen de ziekte waarvan we de naam niet mochten uitspreken, zat Joseph achter zijn met orchideeën opgetooide werktafel. ‘De schoonheid houdt me recht,’ zei hij, terwijl hij aan het verband rond zijn pols voelde.

Joseph woonde in kamers achter de winkel waar niemand van ons ooit een voet had gezet. Zijn dagen bracht hij door in de voorste ruimte, tussen de duizenden boeken, de schilderijen en de flesjes met ‘gebottelde gedichten’. De enige keer dat hij de vuige buitenwereld betrad, was wanneer hij in het tien stappen verderop gelegen koffiehuis met een gejaagd knikje zijn kop espresso bestelde.
Bezoekers waren daar zeldzaam: mensen die hij al jaren kende en die beter waren in dromen over het leven dan in het onder ogen zien ervan.

Joseph was minstens veertig en stamde uit een ras van filantropische industriëlen. De fabrieken van zijn ouders waren sinds lang industrieel erfgoed, maar er bleef genoeg geld over om Joseph in staat te stellen zijn dagen te wijden aan het collectioneren van manuscripten en in het schriftje te krabbelen dat hij angstvallig in de lade van zijn bureau bewaarde.
Ik was toen een worstelend auteur van negentien jaar, die stapels mislukte verhalen en papiersnippers in containers dumpte. Elke dag bezocht ik zijn winkel. Terwijl Joseph bevlogen monologen hield over de grote schrijvers, dronk ik me moed in om aan een nieuw verhaal te beginnen.

Wanneer Joseph met glanzende ogen herinneringen ophaalde, speelden zijn vingers met een plastieken gansje. Op het achterwerk van het glanzend gele diertje zat een witte knop die een delicaat raderwerk aandreef. Terwijl hij oreerde, wond Joseph het gansje telkens weer op, waarna het een wankele paringsdans op het tafelblad uitvoerde, alvorens het schuddebollend tot stilstand kwam. Joseph leek het niet op te merken, zozeer ging hij op in zijn verhalen. Dan verdween zijn kortademigheid en vergat hij het verband en de littekens. Er was alleen het stramme dansje van de gans en Joseph’s zangerige stem, af en toe overstemd door een geweerschot. De echo van die andere wijken, waarin ik al jaren geen voet had gezet. Alles was er anders, zo beweerde mijn vier jaar oudere broer, die met milities door de blanke buurten zwierf.

Op een zaterdag toen ik de winkel binnenstapte en de weeë geur van orchideeën in mijn neus kroop, troonde Joseph niet achter zijn houten vesting met de eerste drukken van Nabokov’s Lolita.
Hij scharrelde op de houten vloer. Zijn halflange, grijze haren piekten naar alle kanten.
‘Verdwenen,’ zei hij. ‘Alles heb ik afgezocht. Toen ik naar het koffiehuis ging, was het er nog. Iemand moet het meegenomen hebben…’
‘Die gans?’
Ik begon samen met hem te zoeken tussen de titels van het ontzaglijke oeuvre van de gebroeders De Goncourt.
‘Iemand heeft het meegenomen,’ jammerde hij.
‘Het is een plastic ding…’
‘Wat is het leven nog waard als ik mijn gans niet veilig kan achterlaten? Waar zit ik toch met mijn hoofd.’
Puffend zat hij op een stoel. Af en toe wreef hij over zijn ribben, waaronder zich ooit twee hardwerkende longen hadden bevonden.

Misnoegd kamde ik de ruimte uit waar hij het dier het laatst had gezien. Hoe durfde Joseph ons, na de vele gesprekken over de liefde voor het woord, te verdenken van diefstal?
Een paar minuten lang deed ik alsof ik naar de vermiste gans speurde. Daarna nam ik afscheid.
‘Een dame?’ vroeg hij.
Ik knikte. Met de meiden schoot het echter net zo weinig op als met verhalen.
‘Isodore. Een dichteres met nymfomane trekjes.’
Heel even keek hij op.
‘Wat! Waarom neem je die dame niet mee naar de winkel…!’
‘Ze is allergisch voor papier. Ze leest en schrijft volledig digitaal.’
‘Het moet hier ergens liggen,’ mompelde hij, zonder me nog een blik waardig te achten.
‘Voor mijn part steken ze die gans in de fik, het is maar plastic…’
Hij keek me onthutst aan. Ikzelf was al even geschrokken van mijn uitval.
‘Een schrijver moet zijn woorden wegen op een diamantschaal,’ begon hij.           ‘Alles wat je schrijft, wordt vroeg of laat werkelijkheid…’
‘Schijt aan de werkelijkheid…’
Ik wachtte nog even bij de deur in de hoop dat hij me nog iets zou vragen. Maar hij ging weer op zoek naar zijn gansje.

De dag na het bezoek aan Joseph geraakten de Palestijnen en de Joden in Israël opnieuw slaags. Ook in onze stad werd het nog onrustiger. Voor het eerst bleef mijn broer tot de ochtend weg. Ik schreef de hele nacht door in een zoveelste poging om een verhaal te componeren. Deze keer ging het over een jongeman die tijdens de burgeroorlog tegen zijn wil naar het front moet. Hij komt er oog in oog te staan met de man die hem leerde lezen en schrijven. Zou hij de trekker overhalen? Urenlang staarde ik naar het papier en probeerde me niet door de luie sirenes te laten afleiden. Alles wat je schrijft, wordt vroeg of laat werkelijkheid, ging het door me heen.

De volgende dag trok ik mijn ribfluwelen vestje aan. Ik ging ervan uit dat Joseph zijn opstandige gans had opgespoord en dat we met ons clubje in boekwerken zouden snuisteren terwijl we met één oor naar zijn verhalen luisterden en met het andere naar Duke Ellington’s gekwaak.

Het leger had de straten bij de Joodse wijk afgesloten, daar waar de vorige dagen extremistische moslims hadden huisgehouden. Zelfs tramlijnen waren geblokkeerd, zodat ik gedwongen werd een omtrekkende beweging te maken.
In de blanke wijken bij het oude centrum leek alles rustig. Ik voelde de blikken vanachter dichtgeschoven gordijnen. De laatste meters legde ik in looppas af. De winkel was gesloten, voor de eerste keer in jaren. Binnen was er geen teken van leven. Joseph was niet telefonisch bereikbaar. Hij verfoeide mobiele telefoons.
Eenmaal thuis belde ik meteen enkele vrienden.
‘Ze hebben hem lelijk toegetakeld op de hoek van de straat,’ vertelde een kennis van de boekwinkel.

Nog die avond fietste ik naar het ziekenhuis. Onder de neuspleister produceerde een buisje pruttelende geluiden. Zijn halflange haar was afgeschoren. De wangen met de blauwige glans leken ingevallen.
Toen Joseph de ogen opende, glimlachte hij.
‘Onze jongste klant…’
‘Hoe voel je je?’
‘Naar de winkel gegaan, zoontje? Ik was al bang dat je niet meer zou komen na onze… discussie van gisteren.’
‘Nog pijn?’ vroeg ik.
‘De hele avond al denk ik aan die gans. Net voor ik op de grond viel, ging het door mijn hoofd dat ik haar de laatste keer gezien heb op het dienblad waarmee ik mijn espresso’s ga halen.’
Toen ik hem wilde vragen waarom hij zich, met al zijn kostbare boeken, zo druk maakte over die gans, stak hij een hand uit met daarin een sleutel van de winkel.
‘Wil je nog eens gaan kijken of die arme schat niet ergens op de grond gevallen is? Misschien ligt ze zelfs buiten.’
Toen ik die sleutel voorzichtig uit zijn vingers plukte, kneep hij in mijn hand. Het was de eerste keer in al die jaren dat we elkaar aanraakten.
‘Wat jij nodig hebt is een Moleskine-schriftje en een Waterman-vulpen…,’ zei hij plots. ‘Er gaat niks boven 70 gram papier ivoire. Al dat geschrijf op die computers. Daar komt nooit iets goeds van.’
Hij toonde me een zwart schriftje dat hij er op één of andere manier te pakken had gekregen.
‘We zien wel,’ zei ik.

De toestand ontspoorde. Honderden mannen waren omstreeks middernacht naar de Joodse wijk getrokken, gooiden er ruiten in en in dansten op geparkeerde wagens. Of een van de baardmannen eerst schoot of iemand van de blanke milities of het leger, was onduidelijk. Mijn broer kwam tegen de ochtend thuis. Zijn kleren geurden naar kruit en diens ogen waren bloeddoorlopen. Deze keer had hij een doos met videogames bij zich. Ik vroeg hem niet wat zich precies had afgespeeld. Wie was er nog geïnteresseerd in causale verbanden?

Aanvankelijk was ik van plan om in het gebouw te blijven. Maar ik dacht aan de winkel met al die weerloze boeken en aan het geweeklaag van Joseph over zijn plastieken gans. Aan hoe hij mij de sleutel tot zijn herinneringen had toevertrouwd. Aan mijn broer die deel uitmaakte van het leven daarbuiten. Die tientallen verhalen kon vertellen over alles wat hij tijdens die nachten te zien kreeg. Maar het kwam niet in hem op om dat alles neer te schrijven.     ‘Schrijven is voor krekels,’ beweerde hij. ‘Maakt lawaai, maar je ziet ze bijna nooit wanneer het erop aankomt.’

Toen er uit zijn kamer geen geluid meer weerklonk, trok ik mijn jasje aan. De revolver van mijn broer paste precies in de zak van het vest. De sleutel van de voordeur lag zoals gewoonlijk verstopt achter het kader met de foto van vader. De foto was een van de weinige waarop mijn vader een keppeltje droeg. Hij ging bijna nooit naar de synagoge, behalve op die ochtend van de grote rellen.

In de straten kon men muizen horen knagen. Het leek alsof iedereen de stad had verlaten. Het ijle huilen van trams, dat anders de ochtendlucht doorkliefde, was verstomd. Hoe dichter ik het oude hart van de stad naderde, hoe meer ingegooide winkelruiten ik er aantrof. Ze plunderen geen boekwinkels, zo hield ik me voor.

De oude steeg waarin Joseph’s winkel zich bevond, bleek niet verlaten. In het tweede deel van de straat holde een groep mannen met sjaals over het gelaat in de richting van de blanke wijk. Hier en daar hielden ze halt om op adem te komen. Waarom zouden die boeken hen interesseren, dacht ik. Maar ik was de platenzaak vergeten, twee panden voor Joseph’s winkel. Met stokken begonnen ze op de ruiten in te slaan. Ze grepen naar cd’s en langspeelplaten. De klassieke muziek en jazz van de tweedehandswinkel bleken echter niet wat ze zochten.

Enkele van de kerels wachtten voor Joseph’s etalage op hun kompanen. En dan plots knuppelde een van hen op het dunne oorlogsglas. Een tweede sprong in de etalage en trapte enkele boeken de straat op. De achterblijvers sloten aan en sloegen in op het weinige glas dat nog in de sponning zat. Vanuit een portaal zag ik alles gebeuren. Een van de mannen stak een boek in de etalage in brand, nadat hij het met een vloeistof had overgoten. Ik wilde roepen of met de revolver zwaaien. Ik richtte de revolver op de man die het vuur aanstak. Moest ik in de lucht schieten of op de man zelf? Was de revolver geladen? Of speelde mijn broer ’s nachts slechts een troostrijk spel zoals ik dat deed met woorden?

Iemand keilde iets glimmends in de winkelruimte. De kerels sprongen achteruit. Met de vinger om de trekker keek ik toe. De bende stormde een zijstraat in. Toen ik voor de gevel stond, kon ik nog net zien hoe een paarse vlam het schilderij van Lucebert opvrat. De flessen met de gebottelde gedichten ontploften. In de verte weerklonken sirenes, net zoals toen vader ‘neem hem mee!’ naar mijn broer schreeuwde. De autoband hadden ze hem toen al om de nek gehangen.
Ik haastte me naar de straathoek met het koffiehuis. Toen ik nog een allerlaatste keer naar de overkant keek waar de zwartgeblakerde pagina’s over de straat dwarrelden, viel mijn oog op een glanzend, geel ding. Ik plukte Joseph’s gansje uit de goot voor het koffiehuis en verdween. Ik wilde niet toezien hoe bluswater de woorden tot een modderige brij zou maken.

Tot het bezoekuur zwierf ik door het rustige deel van de stad. Hier en daar kwamen de straten weer tot leven. Mensen verlieten hun woningen, om zich heen speurend alsof ze de gevels van hun eigen straat niet meer herkenden.
Nog nooit had ik zo’n drang gevoeld om te schrijven. Al wist ik nog steeds niet hoe mijn verhaal over de jongen aan het front moest eindigen. Hij zou secondelang oog in oog staan met zijn voormalige leraar. Als versteend staarden ze elkaar aan. Het was zijn toekomst die voor hem stond. Maar alleen al het wapen laten zakken zou als een daad van agressie worden beschouwd. Vroeg of laat moest een van beiden schieten om de patstelling te doorbreken.
Tegelijk wist ik dat zelfs het meest prachtige proza die geur van brandend papier nooit meer zou kunnen verdringen.

Die nacht brak ik mijn hoofd over wat ik hem de volgende dag zou zeggen. Aanvankelijk wilde ik Joseph een briefje laten bezorgen over de gebeurtenissen in de winkel. Ik probeerde zelfs een verhaal te schrijven dat alles zou uitleggen. Ik dacht aan dat wat hij had gezegd: ‘Vroeg of laat wordt alles wat je schrijft werkelijkheid.’ Het voelde alsof de winkel pas brandde wanneer ik het op papier vastlegde.

Om zeven uur keerde mijn broer terug van zijn nachtelijke ronde. Deze keer stonk hij naar alcohol.
‘Weer niks geschreven zeker,’ zei hij met vermoeide stem. ‘Hoe kun je spannende verhalen schrijven als je elke dag in die boekwinkel zonder naam rondhangt?’
Ik zuchtte.
‘Alles oké, junior?’
Ik legde hem alles uit.
‘Het is maar papier,’ begon hij. ‘Er zijn er die meer verliezen dan wat papiertjes en die ook verder moeten…’
Hij onderbrak zijn betoog en keek me in de ogen.
Ik raakte hem op de kin.
‘Sorry,’ stamelde ik.
‘Het is oké. Al dat opkroppen is nergens goed voor. Maar je moet altijd uithalen naar de neus.’

Joseph was wakker toen ik zijn kamer binnenstapte. Het zwarte schriftje lag op zijn borst.
‘Heb je haar gevonden?’ vroeg hij, fluisterend bijna.
Ik hield het plastic gansje voor me uit.
‘Lag voor het koffiehuis. Waarschijnlijk op het dienblad voor de koffie gesukkeld…’
Hij klemde de kaken op elkaar.
‘Sorry, kleine verstekelinge…,’ zei hij ten slotte. ‘Ik laat alles uit mijn vingers glippen.’
Nog nooit had hij zo vermoeid geklonken.
‘Arm ding, wat voor een idioot laat jou op straat achter.’
Hij draaide aan het witte knopje. De gans voerde een paringsdans uit op het nachtkastje alvorens om te tuimelen en op de lakens te belanden. Joseph zette zich rechtop en tastte naar het plastieken dier dat door zijn gewoel tussen de plooien van de dekens was gegleden.
‘Voor je het weet, ben je hier buiten,’ zei ik.
‘Weet je waarom ik met die winkel begonnen ben?’
Ik schudde het hoofd.
‘Ik wilde schrijver worden. De rest verloor ik uit het oog. Op een dag waren ze weg, vrouw en dochter. Alleen haar speeltje waren ze vergeten. Toen probeerde ik een verhaal te schrijven over dat speeltje. Het is me nooit gelukt. Het idee om de mooiste boekwinkel ter wereld te openen, sleurde me er doorheen…’
‘Het was de mooiste winkel ooit…’
‘Was?’
Er viel een lange stilte.
‘Over een paar dagen ben je weer in de wereld.’
Hij beet op zijn lippen. Zijn ogen volgden de eindeloze wolkenkaravaan achter het raam.
‘Alles fout gedaan,’ hijgde hij.
Even twijfelde ik of ik zijn hand in de mijne zou nemen.
‘Ik kom morgen terug,’ beloofde ik.
Met een bedrukt gemoed fietste ik naar huis, mezelf verwijtend dat ik hem niet alles had verteld. Nog diezelfde avond kocht ik dat schriftje en de Waterman-vulpen waarover hij had gesproken. Het was de eerste keer dat ik zo’n solide ding tussen mijn vingers klemde. Tot dan toe hadden mijn woorden nooit het digitale universum van de computer verlaten. Ik schreef de hele nacht door. Voor de eerste keer wist ik een verhaal af te maken: het verhaal van Joseph en zijn gans.
De volgende dag sliep ik tot lang na de middag. Toen ik wakker werd, had ik nog maar een paar uur voor het bezoekuur van het ziekenhuis begon. Ik herlas het verhaal van Joseph en zijn gansje. Ik was niet tevreden. Na het deel waarin Joseph op zijn ziekbed verneemt dat zijn winkel in de vlammen is opgegaan, ontbrak er iets. Steeds opnieuw begon ik aan nieuwe versies. In sommige begon hij weer te schrijven. In andere liet hij de winkel renoveren en begon hij de lege boekenrekken te vullen met nieuwe rekruten. In een derde versie pleegde hij zelfmoord met een snelwerkend gif dat in het holle hoofd van zijn gansje verborgen zat. Toen ik het uiteindelijk opgaf, was het bezoekuur al bijna voorbij. Als ik me had gehaast, had ik het nog net kunnen halen. Maar ik vreesde dat hij al van andere klanten het lot van zijn boekenambassade had vernomen. Dat hij te weten gekomen was dat ik alles voor hem had verzwegen.

Vrienden van de winkel belden me de volgende dag. Op de één of andere manier was Joseph erin geslaagd om onopgemerkt het ziekenhuis te verlaten.
We vonden hem tegen een van de verkoolde boekenrekken met een ongeschonden exemplaar van Nabokov’s Lolita in zijn handen. De gans stond naast hem op de grond en op zijn schoot lag zijn Moleskine-schrift. Zweet en roet kleefden aan zijn kaalgeschoren schedel en overal om hem heen lagen zwartgeblakerde pagina’s tussen de verkoolde boeken en de vochtige papieren brij. De ruimte stonk naar rottende aardappelen, maar hij leek het niet te merken. Joseph glimlachte en neuriede iets van Duke Ellington.
‘Ik heb het afgemaakt,’ zei hij, met zijn verwilderde ogen op mij gericht. ‘Het verhaal voor mijn dochter.’
Hij zag er gelukkig uit. Niemand zei een woord. Ik plukte de pagina’s van zijn schriftje van de grond. Sommige bladzijden waren leeg. Op andere waren in warrige hanenpoten zinnen gekrabbeld. Toen pas merkte ik dat hij de kleefband van zijn pols had getrokken en dat hij zijn arm, net zoals de vorige keer, had opengehaald aan de scherven van de in flessen gebottelde gedichten.
Ik raapte de naar as geurende en met rode druppels bevlekte pagina’s op. Daarna legde ik een hand op zijn schouder, terwijl iemand het bloeden van zijn arm trachtte te stelpen.
‘Waarom zet niemand een plaat op,’ protesteerde hij. ‘Roland Kirk wil ik horen. Die doet het met twee saxen tegelijk. Die cat blaast Coltrane gewoon van het podium.’
We wachtten op de wagen die hem voor de derde maal naar de instelling zou voeren.
‘Je moet blijven schrijven, zoontje,’ herhaalde hij steeds weer. ‘Anders word je een doorgedraaide zombie, zoals die kerels hier. Alleen door te schrijven kun je openbloeien.’
Hij wees naar een hoop verkoolde planken waarop de afgerukte kelk van een witte orchidee lag.
Joseph bleef doordrammen over onze grootse literaire toekomst toen we hem over de zompige bodem naar de wagen voerden. Net als de vorige keer waren we er zeker van dat hij nooit meer naar de winkel zou terugkeren. Vlak voordat hij in de ziekenwagen stapte, riep hij: ‘Wacht eens even, rouwdouwers… waar is mijn verhaal?’
Ik toonde hem het bundeltje en beloofde hem dat ik alles zou uittypen en naar zijn nieuw verblijf zou brengen.
‘Leven om te schrijven, zoontje,’ riep hij me toe, voordat hij in de wagen verdween.

Thuisgekomen scheurde ik mijn Moleskine-schriftje bladzijde na bladzijde aan snippers. Wie krabbelt er proza over plastieken ganzen neer terwijl er in de straten boeken worden verbrand, dacht ik. Joseph’s pagina’s verdwenen in een plastic map die ik pas maanden later weer zou openen. Die avond ging ik voor de eerste keer met mijn broer op pad. Het vuren op donkere schimmen bleek al gauw veel eenvoudiger dan het schrijven van een goed verhaal. Af en toe patrouilleerden we in de buurt van Joseph’s winkel met het gansje, dat heel alleen tussen de verkoolde teksten wachtte. Dan greep ik naar Joseph’s reservesleutel in mijn binnenzak. Het is nog te vroeg, prentte ik mezelf in. Zij heeft tijd, alle tijd.

Chris Ceustermans

 

Open brief aan Fikry El Azzouzi en aan de jury ‘Arkprijs van het Vrije Woord’

Beste heer El Azzouzi,

Vooreerst wil ik u gelukwensen met de Arkprijs van het Vrije Woord. Ik heb uw roman Drarrie in de Nacht met interesse gelezen. Ik geloof dat u een bijzondere stem in het Nederlandse taalgebied kunt worden als u blijft zoeken naar de juiste vorm voor datgene wat u te vertellen heeft (en u heeft duidelijk iets te vertellen). Toch moet ik u bekennen dat ik bedenkingen heb bij de uitreiking van de prijs van het Vrije Woord aan uw persoon.

Fikry

Deze prijs werd in het leven geroepen toen de van zijn geloof gevallen Marnix Gijsen een literatuurprijs aan zijn neus zag voorbij gaan door wat Jeroen Brouwers ‘kleinzielig moralistisch gekeutel’ noemde vanuit religieuze hoek. Bedenker Herman Teirlinck schreef bij het lanceren van de Arkprijs in 1951 dat ‘literatuur buiten Farizeese handen’, moest blijven. ‘We eerbiedigen elke gezindheid, maar weigeren de aanmatiging van elke opgedrongen leer…’

Een tijdlang werd de Arkprijs toegekend aan mensen die tegen dogmatische tendensen van kerk en samenleving durfden in te gaan. De moedigste en wellicht belangrijkste strijd van kunstenaars is die voor meer openheid in de eigen gemeenschap.

Ik moet echter toegeven dat u me op dat vlak vooralsnog teleurstelt. Misschien niet zozeer voor wat betreft het proza van Drarrie in de Nacht dat boeiend is, zij het ietwat anekdotisch. Helaas wordt in media, zoals Vrij Nederland zelden over dat schrijfwerk gesproken. Bijna altijd gaat het over uw niet-onsympathieke persoon: de Vlaming van Marokkaanse afkomst, zonder diploma’s, die zich ontpopte tot selfmade schrijver.

Grote schrijvers uit het verleden zoals de Joodse Philip Roth hadden de moed om de eigen gemeenschap en de farizeeërs tegen de haren in te strijken. Zo kreeg de jonge Roth voor zijn verhalenbundel Goodbye Columbus de rabbi’s en de Joodse Anti-Defamation League op zijn dak. Hij werd beschuldigd van Joodse zelfhaat. Roth plooide niet en deed er met het speels provocerende Portnoy’s Complaint een schepje bovenop. Eigenzinnige individuen als Roth zorgden er voor dat de arme en diepgelovige Oost-Europese Joden na twee of drie generaties aan de top van de Amerikaanse samenleving meedraaiden.

Maar wat doet u? U kiest voor een makkelijkere weg en voor de korte termijn. U teert op het buikgevoel van uw gemeenschap. Een gemeenschap waar extremisme en een opkomend religieus fascisme woekeren. De onverdraagzame die u aanvalt in uw columns, is echter niet degene die onbuigzame religieuze regels in een open samenleving probeert te rammen. Nee, de fundamentalisten lijken voor u de goddeloze vrijzinnigen. Verlichtingsfundamentalisten. ‘Vrijzinnig4Belgium’ noemde u hen al spottend in DeWereldMorgen.be. GAIA is voor u een bende mierenneukers en Etienne Vermeersch een ‘fundamentalistische verlichtingspastoor’.

U vindt hen onder meer onverdraagzaam omdat ze zich kanten tegen hoofddoeken bij overheidsfuncties of tegen niet-verdoofd slachten. Daarmee verspreidt u niet meer dan een flauwe echo van de farizeeërkaste en brulboeien zoals de Arabisch-nationalist Abou Jahjah (iemand over wie u zich lovend uitlaat). Bovendien zijn de etiketten voor andersdenkenden waarmee u virtuoos schermt niet erg bevorderlijk voor een inhoudelijk debat.

Dat alles is niet wat ik begrijp onder het moedig verdedigen van het vrije woord waarvoor de Arkprijs beweert te staan. Misschien kunt u zich een keer verdiepen in de geschiedenis van de verlichting (die trouwens niet gelijk te stellen is aan vrijzinnigheid) voordat u naar de voorvechters van uw vrije meningsuiting uithaalt.

Indien u een relevant schrijver wil blijven, zult u dieper moeten graven. Dan zult u de voor uzelf, uw gemeenschap en voor de progressieve kerk schijnbare waarheden op hun kop moeten zetten. U zult uzelf, zoals Philip Roth, misschien een tijdlang onmogelijk maken bij een deel van de moslimgemeenschappen of in sommige vastgeroeste linkse of rechtse middens. Maar dat hoort bij de rol van de schrijver die net die dingen aan de oppervlakte brengt die de omgeving niet wil horen.

Ik denk echter dat u die kwaliteiten heeft. Ik denk dat u een zoeker bent; een vechter ook. Ik kijk dan ook uit naar uw toekomstig werk.

Chris Ceustermans

Chris Ceustermans is auteur en observator van het stedelijk leven in Antwerpen en Brussel. In 2014 verscheen bij WPG-Manteau zijn roman ‘De Boekhandelaar’. In september 2015 verschijnt zijn volgende roman: ‘Koude Oorlogsdromen’.

Durven schrijvers waarschuwen voor het nieuwe fascisme?

images

Nobelprijswinnaar literatuur V.S. Naipaul (82) waarschuwde een paar dagen geleden in The Mail on Sunday dat de islamistische beweging rond ISIS het nieuwe gelaat van het fascisme is. Toch zijn het niet de woorden van de auteur van ‘Amongst the Believers’ die op mij het meeste indruk maakten. Noch de voorpublicaties van Ayaan Hirsi Ali’s nieuwe boek ‘Ketters’. Voor mij gaf vooral het lezen van de roman ‘De Wereld van Gisteren’ van Stefan Zweig een schok van herkenning over de wereld van vandaag.

Er zijn zo van die boeken die een mens niet meer loslaten. Ze veranderen de manier waarop men naar de wereld kijkt. Voor mij is ‘De Wereld van Gisteren, herinneringen van een Europeaan’ van Zweig zo’n boek. Deze memoires sloot hij af in september 1939, nog geen drie jaar voordat hij in Brazilië zelfmoord pleegde. Zweig had al een keer zijn vertrouwde wereld, de bijna duizend jaar oude Oostenrijkse monarchie en zijn geliefde Europa, in de vlammen van een eerste wereldoorlog zien opgaan. Hij wilde geen tweede maal toekijken hoe haat en doodsdrift de overhand kregen.

Zijn boek is een bezield verslag van de desillusies van een generatie Europese intellectuelen en kunstenaars. Geboren in de opkomende Joodse elite van Wenen, publiceerde Zweig al op jonge leeftijd gedichten in toonaangevende bladen. Daarna werd hij een van de sleutelfiguren van de Europese artistieke elite. Hij was vertaler en vriend van de Vlaming Emile Verhaeren, maar ook van vele Franse schrijvers zoals de humanist Romain Rolland. Ze stonden symbool voor de pan-Europese gedachte en pacifisme.

Toch had Zweig naarmate hij ouder werd het gevoel dat zijn hooggestemde generatiegenoten hadden gefaald. Ze hadden de tekenen aan de wand niet opgemerkt. De terreur startte in Wenen met een kleine groep Duits-nationale studenten. Die ramden vergaderingen met gummiknuppels uit elkaar en overvielen tegenstanders. Zweig meende dat het ging om een geïsoleerde groep jongeren, romantische en losgeslagen idioten.

‘In werkelijk was het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk begonnen’, schrijft Zweig in zijn memoires. ‘En pas toen tientallen jaren later het dak en de muren op ons neer stortten, zagen wij in dat de fundamenten al lang ondergraven waren geweest en dat tegelijk met de nieuwe eeuw, de ondergang van de individuele vrijheden in Europa was begonnen.’

De geschiedenis herhaalt zich zelden op dezelfde wijze. Sommige patronen keren echter terug, zij het vaak in een heel andere vorm. Vanuit onze historische trauma’s speuren we echter nog naar de oude vormen. De ‘Wereld van Gisteren’ is beklemmende lectuur omdat die aantoont hoe de barsten in de samenleving zich vlak voor onze ogen kunnen bevinden. We herkennen ze niet omdat we zijn doordrongen van oude breuken en symbolen.

Zweig’s verhaal is vandaag nog bijzonder beklemmend, ook door de aanslagen en de infiltratie van moslimfundamentalisten. Die trachtten, hoewel uiterlijk totaal verschillend, de fascistische traditie die Zweig beschrijft nieuw leven in te blazen: de gewelddadige creatie van het land der zuiveren, de bloederige doodsdrift, het genadeloos wegvegen van zogenaamde onzuiverheden uit het verleden en uit de bevolking, de Jodenhaat…

Zweig ontmaskert de diepmenselijke illusie dat de vertrouwde wereld van gisteren ook die van morgen zal zijn. Net zoals we vandaag zo graag willen geloven dat de islam zich aan de ons vertrouwde Europese tradities zal aanpassen. Wat men zich bij die zogenaamde ‘Europese Islam’ moet voorstellen, heeft nog niemand kunnen duidelijk maken. Is dat niet iets zoals aan Apple vragen om met een Windows besturingssysteem te werken? Betekent het niet vooral, zoals Ayaan Hirsi Ali in haar nieuwe boek ‘Ketters’ aangeeft, dat vele moslims zelf veel meer afstand van hun geloof moeten nemen?

Getuigenissen zoals die van Zweig doordringen je van onze kwetsbaarheid en blinde vlekken, maar ook van de humanistische Europese traditie van Erasmus. Zweig’s droom over de samenwerking en broederschap tussen de Europese landen en vooral tussen Duitsland en Frankrijk is intussen deels realiteit. Zweig’s lot en dat van de vele nazislachtoffers wordt in het hart van Berlijn herdacht met 2711 stenen zuilen onder Primo Levi’s motto: ‘Het is gebeurd, en daarom kan het weer gebeuren. Dat is de kern van wat we te zeggen hebben.’

Die fase van verzoening werd pas mogelijk na jarenlang bloedvergieten. De taboes die uit die catastrofe voortvloeiden, mogen niet betekenen dat het nieuwe fascisme-in-religieuze-verpakking niet als dusdanig mag worden benoemd. Op dat vlak is de 82-jarige V.S. Naipaul een pionier. Hij is een van de weinige literaire auteurs die, samen met de onvermijdelijke Michel Houellebecq, de terugkeer van het fascistische spook in nieuwe kleren durft te beschrijven. Het is te hopen dat de huidige en nieuwe Europese literaire generatie niet even blind is als die van de grote Stefan Zweig.

Chris Ceustermans

Chris Ceustermans is auteur en observator van het stedelijk leven in Antwerpen en Brussel. Deze zomer verscheen bij WPG- Manteau zijn roman ‘De Boekhandelaar’. Dit najaar verschijnt zijn volgende roman: ‘Koude Oorlogsdromen’

Schrappen van bibliotheekplicht: culturele zelfmoord van de Vlaamse Regering?

De Vlaamse Regering wil per decreet de ‘bibliotheekplicht’ voor lokale besturen afschaffen zodat de gemeenten zelf beslissen of ze geld van het Gemeentefonds aan bibliotheken besteden.
Hoewel het op korte termijn niet zo’n vaart zal lopen met de afschaffing van bibliotheken, zaagt de Vlaamse Regering daarmee aan de poten van de Vlaamse cultuur.

Het is pijnlijk en ironisch tegelijk dat net nu Vlaamse beweging op een politiek hoogtepunt is, men die macht gebruikt om een van de pijlers van de Vlaamse cultuur en identiteit te ondermijnen. Niet alleen werd de Vlaamse beweging en taal lange tijd geschraagd en in leven gehouden door schrijvers en leerkrachten die aan de lokroep van het Frans weerstonden. Ook zijn de bibliotheken die plaatsen waar op een laagdrempelige manier de door generaties opgebouwde kennis en cultuur worden doorgegeven. Blijkbaar ondergraaf elk systeem, of dit nu communisme, consumentisme of ‘inclusief nationalisme’ heet, de eigen fundamenten zo gauw het die mogelijkheid krijgt.

Los van het hellend vlak dat de Vlaamse Regering daarmee op termijn creëert, lijkt de beslissing ook op pragmatisch vlak weinig doordacht. Iedereen weet dat de uitgeefsector en de boekenwinkels het moeilijk hebben. Jaar na jaar vecht men om het hoofd boven water te houden. Daarbij is men steeds meer afhankelijk van een klein aantal bestsellers. Het overgrote deel van de literaire en non-fictie uitgaven haalt niet meer dan duizend verkochte exemplaren.

Het fijnmazige netwerk van bibliotheken, die vaak honderden exemplaren van nieuwe uitgaven inkopen bij boekhandels, geven de sector een minimale stabiliteit. Daarbij vraagtekens plaatsen, doet het vertrouwen voor uitgevers in de toekomst geen goed. Bovendien worden de bibliotheken bevoorraad door de boekenwinkels. Toegegeven: voor onafhankelijke boekenwinkels is het niet evident om aan bibliotheken te leveren omdat de grote ketens vaak deze markt inpikken via dumpingpraktijken. Toch leveren heel wat onafhankelijke boekhandels aan bibliotheken. Is deze Vlaamse Regering bezig om op termijn de poten onder de Vlaamse cultuur te zagen waarmee men zo hoog beweerd op te lopen?

Dat wil niet zeggen dat er over de Vlaamse bibliotheken geen belangrijk en interessant debat kan worden gevoerd. De bibliotheken worden aangestuurd door de lokale overheden. Op sommige plaatsen leidt dit dank zij bevlogen bibliothecarissen tot een rijke collectie en boeiende activiteiten. In andere bibliotheken is de slinger echter doorgeslagen naar een puur vraaggerichte benadering. Boeken die te weinig ‘leescijfers’ halen, vliegen eruit of komen er zelfs niet meer in.

Wanneer men nagaat in hoeveel bibliotheken (bijvoorbeeld via http://www.bibliotheek.be) Vlaamse klassiekers met een internationale uitstraling zoals ‘Het boek Alfa’ van Ivo Michiels nog effectief in de rekken (en niet in een godvergeten depot) ligt, komt men tot de vaststelling dat die patrimoniumfunctie van de bibliotheken aan het verschrompelen is. De boekencultuur wordt in de bibliotheken verdrongen door dvd’s, games en de waan van de dag. Dat populisme betekent ironisch genoeg dat literatuur elitair wordt. Iets voor hen die überhaupt weten dat bepaalde boekwerken bestaan en die zich die kunnen of willen veroorloven.

In de plaats van de poten onder de belangrijke dragers van de Vlaamse cultuur te zagen, hoop ik dat de Vlaamse Regering de moed en interesse zal opbrengen om een strategie uit te werken om bibliotheken te stimuleren het literaire patrimonium levend te houden en het boekenlandschap te versterken. Deze regering is dit echter verplicht aan al die generaties van schrijvers, culturele tijdschriften en onderwijzers die in moeilijke tijden de Nederlandse taal en Vlaamse cultuur in leven hielden.

Chris Ceustermans

Chris Ceustermans is auteur en observator van het stedelijk leven in Antwerpen en Brussel. Deze zomer verscheen bij WPG- Manteau zijn roman ‘De Boekhandelaar’. Dit najaar verschijnt zijn volgende roman: ‘Koude Oorlogsdromen’ . https://deboekhandelaar.com/

josepanton

Joseph Anton van Salman Rushdie: een beklijvende ontmoeting.

Waarnaar ben je als lezer op zoek wanneer je een boek uitkiest in een dichtbevolkte boekenwinkel waar de kostgangers je tegemoet schreeuwen: ‘lees mij! Ik ben elegant, erudiet, sexy en op de koop toe ook grappig….’ ?

Ik denk dat we op zoek zijn naar ontmoetingen die het gevoel geven dat je niet alleen staat in het overleven van het leven van elke dag. Een onvergetelijke avond of nacht met een aanvankelijk onbekende man of vrouw die je iets vertelt over zijn/haar leven terwijl de voorlaatste klanten afrekenen en de ober met steeds kortere tussenpauzes in je richting kijkt.

Het lezen van Salman Rushdies Joseph Anton is zo’n ontmoeting. Een beklijvende ontmoeting en dit 633 pagina’s lang.

Ik vond Rushdie altijd al een knap schrijver. Ik las de Duivelsverzen en Middernachtskinderen. Ik bewonderde de meerstemmige virtuositeit waarmee hij het Indische levensgevoel , ‘de luidruchtige multitude’ weet op te roepen. Een terechte ster uit de ijzersterke generatie Britse auteurs uit de jaren tachtig van de vorige eeuw: Martin Amis, Hanif Kureishi, Ian Mc Ewan en anderen.

Tot hiertoe werd ik sterker aangesproken door zijn generatiegenoten. Door pakweg de sobere maar indringende stem van Kureishi in zijn bundel kortverhalen ‘Love in a blue time’ of de korte roman ‘Intimacy’ met de prangende eerste zin: ‘It’s the saddest night, for I’am leaving and not coming back…’ Waar de verteller een pijnlijke nauwgezette beschrijving geeft van hoe hij zijn vrouw en twee zoontjes achterlaat. Een wereld van verschil met de welbespraakte, kleurrijke en vaak het realisme van zich afschuddende Rushdie-personages die er niet voor terugschrikken om vanuit een exploderend vliegtuig naar de groene weiden van de Engelse kust te dwarrelen.

Dit alles is niet meer terug te vinden in Joseph Anton. Het boek is een gedetailleerd, pijnlijk, maar soms ook louterend verslag van het decennium waarin zijn vroeger leven als auteur van de ene dag op de andere verdween.

Op Valentijnsdag in 1989, net wanneer zijn huwelijk met de Amerikaanse schrijfster Marianne Wiggins het begeeft, kondigt een oude, stervende, man in Theheran een fatwa af. Een paar uur later neemt Rushdie voorgoed afscheid van zijn woning en schrijfkamer voor een leven op de dool dat zich over meer dan tien jaar en verschillende continenten zal uitstrekken. Van een schrijver die zich dagelijks terugtrekt in de eenzaamheid van de schrijfkamer tot een iemand die vierentwintig uur per dag omgeven is door gewapende veiligheidsagenten. Iemand, genaamd Joseph Anton, die een onzichtbaar leven moet leiden in vluchthuizen en zich zelfs voor de postbode verstopt en de buitenwereld volgt van op televisieschermen waar al dan niet Britse moslims zijn boek ‘de Duivelsverzen’ verbranden en publiekelijk beweren dat een dood met de kogel een veel te lichte straf is voor een ‘godslasteraar’ zoals Rushdie. Waar hij als een toeschouwer moet toezien hoe hij een pion van een geopolitiek spel wordt. Dat alles terwijl hij van zijn vrouw scheidt en een nieuwe liefde leert kennen (via strak georganiseerde uitstappen met de veiligheidsmensen die eerder aan commandoacties doen denken).

Alleen al zijn zoontje af en toe ontmoeten, vergt uren onderhandelen met de veiligheidsagenten, waarvan er trouwens heel wat echte kameraden van de schrijver worden. Doorheen het boek verwoordt Rushdie geregeld zijn ontroering over hoe, in tegenstelling tot de soms passieve overheden, deze mannen en vrouwen dagelijks hun leden riskeerden om hem in leven te houden.

Rushdie heeft het boek geschreven in de hij-vorm, alsof Joseph Anton een personage zou zijn in een kafkaëske roman. Het proces van Joseph A. Even vaak voelt het boek even benauwd en beklemmend.

Maar Joseph Anton is veel meer. Het is tevens een insidersverslag over een van de eerste hedendaagse gemediatiseerde breuklijnen tussen het Westen en de Islam en een voorbode op alles wat nadien zou volgen. Het is ook niet toevallig dat het boek afsluit in de periode van de val van de Twin Towers (Rushdie zat net op dat ogenblik in New York met opnieuw een nieuwe liefde). Zo vindt de lezer in het boek gesprekken met zogenaamd gematigde moslims en een onoverbrugbaar lijkende kloof tussen een religieus en een niet-religieus wereldbeeld. Men leest er ook één van de krachtigste aanvallen tegen het misbruik van de term ‘islamfobie’ die nogal eens als voorwendsel wordt gebruikt om godsdienstkritiek als racistisch te bestempelen.

Sommige critici stippen aan dat Rushdie er te weinig in slaagt om de ‘Rushdie-affaire’ in een breder historisch perspectief te plaatsen. Het boek is echter een belevingsverslag van iemand die tien jaar lang dagelijks voor zijn leven vreesde (niet ten onrechte, zo toont de moord op zijn Japanse vertaler aan en de moordaanslagen op zijn Scandinavische uitgever en zijn Italiaanse vertaler). Voor een objectieve analyse lijkt het dan ook redelijker om op derden te rekenen in de plaats van op Rushdie. Die heeft het boek niet voor niks de ondertitel ‘A Memoir’ gegeven. Het is zijn persoonlijke lezing van de gebeurtenissen. Niet meer en zeker niet minder.

Alleen al deze historisch zijde van het boek zou reeds de moeite waard zijn. Maar naast het existentiële verslag en het tijdsdocument is Joseph Anton ook een derde boek. In de jaren na de fatwa werd Rushdie, aanvankelijk ongewild, en daarna steeds meer verbeten en wanhopig een vaandeldrager van het vrije woord. Van het recht voor schrijvers om te peilen naar de mentale en historische achtergronden van godsdiensten. Om deze ook te mogen beschouwen als een menselijk verhaal. In deze hoedanigheid van symbool van het vrije woord ontmoette Rushdie zowat iedereen die meespeelde in de wereldliteratuur. Het boek is een eindeloze lijst van ontmoetingen op verschillende continenten met Paul Auster, Günter Grass, Marquez, Tobias Wolff, Susan Sontag, Kurt Vonnegut en vele anderen. Rushdie weet daarbij de details die een auteur typeren te vatten.

Zo is ‘Joseph Anton ‘ verschillende boeken tegelijk. Toch voelt het nooit als een opeenstapeling van feiten (wat soms een euvel is in memoires zoals in, het nochtans boeiende, ‘Wendepunkt’ van Klaus Mann). In elke paragraaf klinkt Rusdies inwendige stem, de wanhoop en de verbijstering. Hierdoor houdt hij de lezer moeiteloos vast. Het is een lang gesprek.

De laatste ober heeft zijn jas aangetrokken. Buiten flakkert de eerste ochtendschemering. Uiteindelijk reken je de lange lijst drankjes van de vorige’ nacht af. Je stapt in een nieuwe dag. Maar Rushdies stem zal je nog vele dagen en nachten achtervolgen. Is dit literatuur of gewoonweg het leven?

PS. Rushdie en de boekhandelaars. Een element dat Rushdie in zijn memoires slechts oppervlakkig aanraakt, is de moed van de boekhandelaars om de Duivelsverzen toch te verkopen. De boekhandelaars als de verdedigingslijn van het vrije woord. In interviews na het verschijnen van Joseph Anton legde Rushdie daarop wel een nadruk. In een interview met Jeffery Brown verklaarde hij: I always thought the frontline was the bookstores. And bookstores around America, around the world did astonishingly well. They held the line. They didn’t chicken out. You know, they defended the book. They kept it in the front of the store.

Advertenties