voorpublicatie

Enkele fragmenten uit de aanvang van De Boekhandelaar (voorpublicatie in de krant Metro)

Ze was al twee maanden dood en begraven. Een wagen had
Anne van straat geplukt en haar schedel verbrijzeld. De bestuurder
was doorgereden, had zelfs niet geremd. Het was alsof
hij haar had willen uitwissen.

De eerste weken leefde ik verder alsof er niks was gebeurd.
Ik opende ’s ochtends de ogen en glipte stilletjes uit bed om
haar niet te wekken. Voor ik naar kantoor vertrok, klikte ik de
waterkoker aan voor haar koffie. Op het architectenbureau van
vader tekende ik tot de lijnen op het scherm trilden als de spindraden
van een web. Pas na de vierde week drong de betekenis
van het woord ‘aflijvig’ door. Ze was alomtegenwoordig in
de stilte en in haar boeken die schots en scheef, sommige met
opengeslagen pagina’s als vleugels van aangereden vogels, op de
vloer lagen. Haar geur kleefde aan elke pagina en e-mails bleven
op haar adres binnendruppelen. Alleen haar lijf was niet
meer. Van de ene op de andere dag bleef ik thuis.

Af en toe raapte ik een boek op en bladerde erin alsof ik haar
via de woorden die ze had opgezogen in het schaduwbestaan
zou kunnen volgen. Daarna smeet ik het boek op de stapel. Het
enige wat ik kon lezen, was haar bijna afgewerkte verhalenbundel
die ze naar uitgevers had willen sturen, en de berichtjes
in haar mailbox. Aanbiedingen voor gezichtscrème: ‘Je
huid weer soepel en jong’. Aanbiedingen voor vakantiehuisjes
in het zuiden, waar we geen gebruik meer van hadden gemaakt
sinds ze de verhalenbundel was gaan schrijven. Zij had zich
teruggetrokken in haar werkkamer en ik had me gestort op
vaders torensteden en op diens tweede vrouw Annabel.

Sinds Annes dood kreeg ik geen lijn meer op het scherm getekend
die niet werd geschrapt of gecorrigeerd door mijn medewerkers.
Maar zelfs de uitgezaaide prostaatkanker die bij
vader was vastgesteld, kon de bouw van het nieuwe stadsdeel
niet stoppen. De torensteden, compacte wijken tot vierhonderd
meter hoog, moesten de overbevolking en woningnood
tegengaan.

De directievergaderingen gingen door in zijn ziekenkamer.
Wanneer ik vader niet bezocht of voor de zoveelste keer Annes
verhalen las, staarde ik naar het computerscherm en probeerde
mezelf te verliezen in de kakofonie van concertregistraties,
wereldnieuws en bedreigingen van moslimextremisten op het
internet. Het was tijdens een van die nachtelijke surfsessies dat
het eerste berichtje van Leon in haar postvak belandde.

‘Dag lieve Anna Karenina’, begon het. ‘Al een paar weken
niks meer van je gehoord. Gaat het intussen beter? Ik hoop het
vanuit het diepst van die doortrapte spier in mijn borst. Nogmaals
mijn oprechte excuses voor wat er is gebeurd die laatste
avond bij Jean-Marie. Ik was mezelf niet. We waren allemaal
teut.
Reikhalzend en hongerig naar nieuws.
Uw toegenegen Leonski.’

Haar laatste nacht kwam me weer voor ogen. Zij die deze nacht
niet was thuisgekomen, en ik die uiteindelijk naar de stad was
vertrokken om mijn woede te koelen in een glas tot ik in een
park op het gras was gezakt. Toen ik wakker werd, bleek het
namiddag en lag ik in ons bed. Om twaalf uur drukten twee
agenten op de bel.

Ik probeerde Leonski’s bericht te vergeten. Misschien had
hij zich van adres vergist, suste ik mezelf. Op het internet
begon ik te zoeken naar brokstukken van de vrouw met wie
ik had geleefd.

(…)

Twintig jaar voordien had ik haar leren kennen op een debat
over de afbraak van historische depots in de haven. Nog voor
ik haar gezicht had gezien, was haar stem me opgevallen. Dat
accent met een heldere a en scherpe e, heel anders dan de doffe
klinkers in het dialect van mijn stad, waardoor het leek of mijn
stadsgenoten hun woorden liever inslikten dan ze met elkaar
te delen.
‘U bent wel heel gedreven’, had ze na het debat gezegd.
Toen ik haar pittige stem hoorde, begreep ik waarom ik nog
nooit verliefd was geweest op de meisjes van mijn stad. Ze
kwam uit het heuvelland en werkte aan een doctoraat over hoe
de stad haar negentiende-eeuwse huid probeerde af te werpen.
Om die stem en grijsblauwe irissen vast te houden was
ik blijven doordrammen over gebouwenstropers en de kaalslag.
Toen haar vriendin meldde dat ze de laatste tram moesten
halen, had ik haar voor een etentje uitgenodigd.

‘U bent zo stil’, zei ze toen we in een Turks restaurant op de
hoofdschotel hadden gewacht.
‘Ik luister naar uw prachtige stem’, had ik geantwoord.
Toen we eenmaal samenleefden, hadden we die avond tientallen
keren de revue laten passeren.
‘Weet je nog wat je zei over mijn stem?’ zei ze telkens glimlachend.
‘Toen dacht ik: meisje, dit is de meest romantische
avond van je leven.’

Steeds vaker hadden we ons proberen te warmen aan sprokkelhout
van herinneringen. Hoe verder die in het verleden
lagen, hoe breder haar glimlach. Liefde leek een gebouw met
de eerste onbevangen dagen als fundament. De rest was binnenhuisinrichting.
Het plamuren van verborgen gebreken.

Advertenties